Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het maandblad Zeilen 8 - 2006.

De wind steekt op, slow motion wordt up-tempo. Janet stuurt, schipper Ritchy en trimmer Bjorn bestuderen koers en kaart.
Wie aan een binnenlandse zeilwedstrijd denkt, denkt aan Friesland, haalt zich de Zeeuwse Wateren, het IJsselmeer voor de geest, of desnoods een Gelderse rivier of een Noord-Hollandse plas. Maar Groningen? Nee toch...? Johan Haverdings trok op naar onze meest noordelijke provincie en monsterde wat weifelend aan in Delfzijl voor de 50ste Borkumrace. ‘Er gaat niets boven Groningen’, zo bedachten ooit een paar slimme reclamejongens. Nou, echt wel! En het gaat er hard!
foto’s en tekst johan haverdings
‘Boven de lijn Hengelo-Zwolle is de wereld dichtgeplakt met kranten.’ De lijn en de plaatsnamen zijn desgewenst inwisselbaar, maar iedereen weet wat ermee wordt bedoeld, en één ding is zeker: Delfzijl ligt er altijd boven. Wie eropuit wordt gestuurd om daar een vrolijk zeilevenement te gaan beleven, stopt twijfel als eerste attribuut in z’n plunjezak. Groningers worden vaak voor nuchter versleten, wat volgens boze tongen gewoon een
ander woord is voor stug. En het vlakke en troosteloze noordoosten van de provincie stemt nauwelijks tot vrolijkheid. Ik word onderweg gewaarschuwd: tot aan het Drentse Norg is het absoluut vriendelijkheid troef, maar het naambord van het dorpje herbergt als samentrekking van ‘nors’ en ‘narrig’ een kille verwijzing: alles noordelijker dan hier is het niks gedaan.
Aan de rand
Het valt alleszins mee. Veel meer dan dat zelfs. Het zo vlakke noordoosten van Groningen wuift nog van het gele koolzaad en Onze Lieve Heer heeft het weekend van de jubilerende Borkumrace – voluit Delfzijl- Borkum-Delfzijl – gezegend met het tot dan toe warmste en zonnigste weer van het jaar.
Op het haventerras van Delfzijl krioelt het van de internationale allure: Poolse havenarbeiders, Russische stuurmannen, Noorse en Britse zeilers en autochtone loodsen en baggeraars. Voorzichtig poog ik bij een noorderling een sceptisch balletje op te gooien: “Toen de wereld nog plat was, althans in de hoofden van de mensen, zat je hier wel zo ongeveer aan de rand, om er een paar mijl verderop pardoes vanaf te flikkeren!” Zijn antwoord is even eenvoudig als nuchter: “Meneer, de Eems jaagt hier al zoveel jar’n water, slib en rotzooi langs, dat de rand inmiddels ver voorbij de Oostzee moet ligg’n. Gaat u maar met een gerust hart het water op.” Daar kan ik niet tegenop, en zijn zuinige taalgebruik, waarbij zo ongeveer elke -n- aan het eind van een woord wordt ingeslikt, neem ik op de koop toe.
‘Het waait hier altijd’
Die vrijdagmiddag druppelen de Duitse deelnemers binnen in de jachthaven. Met het afgaande tij en rivierwater hebben ze zich eerder op de dag losgemaakt uit de poelen van Jamgum, Bingum, Midlum en andere modderachtige plaatsjes hogerop aan de Eems. ’s Avonds tijdens de inschrijving vermengen ze zich ongemerkt met de Delfzijlse zeilers: plat Gronings en plat Ost-Fries-Deutsch kennen geen taalbarrière en vloeien eensgezind in elkaar over. Er wordt internationaal geknauwd. Het palaver aan boord van het Wappen von Borkum, een grote veerschuit, wordt geopend door een deelnemer en een schip van het eerste uur: Bert Blaauw. Hij zeilde van 1957 tot en met ’72 alle jaargangen mee; de Njord, een stalen Sspant was er ook in het eerste jaar al bij. Onder luid gejuich blaast Bert de toeter en ontsteekt men op de Njord rode handstakels. Ik maak intussen kennis met Ritchy en Janet, de schipper en stuurvrouw van de Ventus, een Dynamic 37 waarop ik morgen zal meevaren. Ritchy is Hagenaar, min of meer hier aangespoeld en opvallend enthousiast over de noordoosthoek. “Ik deed in Delfzijl de baggerschool en wilde hier nog niet begráven worden. Maar ja, dan ontmoet je een plaatselijke schone, en dan weet je hoe het gaat.” Hij heeft z’n stek gevonden tussen de Groningers en wil niet meer weg. “Geen poespas, en als ze je eenmaal geaccepteerd hebben, kom je er nooit meer vanaf. Bovendien: het waait áltijd in Delfzijl!” Het gebrek aan poespas klopt. Dikdoenerigheid is hier ver te zoeken. Een niet onaanzienlijk deel van het deelnemersveld bestaat uit baggeraars, loodsen, scheepsmachinisten, stuurlui en andere aan de zee gelieerde werkers. Het is veeleer de wereld van dikke trui en zware shag dan van de laatste zeilmode. Een van de mannen kijkt bijna verliefd de nacht in en noemt de overweldigende lichtjes van de industrie op de oever zelfs feeëriek. Dat gaat zelfs mij wat ver, maar het geeft de toonzetting aardig weer.
Een race met zeegaande schippers
De ‘Delfzijl – Borkum – Delfzijl-race’, kortweg de Borkumrace, is een internationale zeilrace en wordt in 2006 voor de 50ste keer georganiseerd. Sinds 1957 zeilt men op de eerste zaterdag na Pinksteren zo snel mogelijk van Delfzijl naar het Duitse Waddeneiland Borkum, om op zondag hetzelfde te doen, maar dan in omgekeerde richting. Deelnemers zijn niet zozeer zeegaande jachten, als wel zeegaande schíppers: in de editie 2006 nam als kleinste schip een Kolibri van 5.60 meter deel. Er wordt gestart in een tiental klassen, gerelateerd type en lengte. Omdat de data van Pinksteren in aansluiting op die van Pasen worden bepaald door de stand van de maan, geldt voor de wedstrijd een min of meer immer gelijke starttijd, gerelateerd aan het tij: op zaterdag rond 12.00 uur met het tij mee richting Borkum; op zondag rond 09.00 uur hetzelfde, maar dan richting Delfzijl.
Normaal nemen vijftig tot zestig schepen deel aan de race, maar in het jubileumjaar 2006 zijn het er een kleine honderd.
De eerste Borkumrace vond plaats in 1957. Bert Blaauw maakte als schooljongen de eerste edities mee. “In de beginjaren moest ik nu en dan noodgedwongen spijbelen van school: er waren maar enkele bootjes gemotoriseerd. Voor de rest was het zeilen, roeien en wrikken. Als je pech had, of juist geluk, was er op de terugweg weinig wind, en moest je ankeren op afgaand tij. De kans was groot dat je dan pas maandagmiddag of dinsdagochtend binnenliep.”
We zijn met de Ventus in een soort slow-motiongevecht verwikkeld met de Diana, een grote slanke houten zeiler met een enorme spinnaker, die ons vuile wind bezorgt. Bij de start is het bijna windstil. De spinakkers blijven amper vol staan. Honderd droogmolens
Om 12.00 uur de volgende dag toeteren we op het startschip de eerste deelnemers weg. Ik verwacht na het startschot eigenlijk gejoel, een losbarstend gefoeter van schippers die elkaar in het vaarwater en de haren zitten, maar het blijft stil. Wíndstil! Een dozijn boten poogt amechtig en vrijwel stuurloos op het afgaande tij de denkbeeldige startlijn te passeren. De jury houdt alles nauwlettend in de gaten, maar er is door de schippers met geen mogelijkheid iets onreglementairs te ondernemen. Het is een hoogst merkwaardig schouwspel: als alle klassen zijn ‘betoeterd’ biedt de Rede Oterdum de aanblik van een slordige partij van honderd droogmolens op een lome zomeravond, met de veelkleurige spinnakers als slappe was.
Met een snelle speedboot van de organisatie laat ik me van het startschip naar de Ventus brengen. Eenmaal aan boord kan ik het niet laten: “Hé, het wááit toch altijd in Delfzijl?” Ritchy bromt en sommeert ons allemaal zo weinig mogelijk te bewegen. “Dat kost snelheid!”
Het is zinderend heet en de Eems is nauwelijks geribbeld. De bemanning staat puffend de spinnakerboom en de giek uit te houden. Op het tij schuiven de boten uiterst traag naar het noordwesten. We zijn met de Ventus in een soort slow-motion gevecht verwikkeld met de Diana, een grote slanke houten zeiler van scheepswerf Bultjer uit Ditzum. De snelste van het hele veld. Als het waait tenminste. Nu wordt voor ons ieder sporadisch en miniem zuchtje door haar enorme spinnaker versneden tot vuile wind. Ze blijft maar in ons vaarwater zitten. Janet draait het stuurwiel van hard stuurboord naar hard bakboord, maar heeft geen enkele druk op het roer. Rechts van ons knalt de Tristan stuurloos op een boei. Het doffe gebonk verscheurt de stilte op de rede. Die heeft waarschijnlijk liever een paar krassen op zijn romp dan een diskwalificatie aan z’n broek vanwege het starten van de motor. Als we langszij de Diana komen en er dreigen voorbij te steken, wordt de stemming op de Duitse boot grimmig. De schipper foetert en scheldt luidkeels, op alles in het algemeen en op zijn bemanning in het bijzonder. Mijn sympathie wekt ie er in ieder geval niet mee.
Spitse witte koppen
Tegen tweeën, wanneer er al diverse stemmen zijn opgegaan om de heleboel maar af te blazen, gaat alles plotseling van slow-motion naar een up-tempo: het begint te waaien. Niet uit het zuidoosten, zoals beloofd, maar uit het noordwesten. Pal tegen dus. De bemanning is in zijn nopjes: kruisrakken varen en dan andere deelnemers de loef afsteken. De Ventus schiet vooruit en draaft als een dolle kriskras door het deelnemersveld. Björn, onze trimmer krijgt eindelijk te doen waar hij goed in is. Met samengeknepen ogen houdt hij het zeildoek, de windvaan en de instrumenten in de gaten. “Ietsje meer bakboord. Ja, zo! Nu de grootschoot een heel klein beetje vieren. En allemaal aan de hoge kant zitten.” De kaart komt op de knieën en Ritchy zet aan de hand van de verplichte boeien de beste koers uit. “Als we daar langs de stuurboordwal een lange slag maken naar die zandplaat, halen we er een hoop weer in! Klaar voor overstag…” Met een knoop of zes storten we ons in het Doekegat. Het is een berucht oord. De Eems en de Oude Westereems komen er bij elkaar en de zeestromingen rond de het Randzelgat en de andere wadplaten doen er nog een tegendraads schepje bovenop. Bij de huidige kracht 3 levert dat al rare golfpatronen op met steile, spitse, witte koppen. Het verhaal gisteravond van André, de schipper van de Tristan, kan ik nu volledig plaatsen: de singlehanded van 2005 werd afgeblazen vanwege NW 6 à 7. André ging toch. Als enige. En hij heeft het geweten: “Ik schatte de wind op een 6, misschien af en toe een uitschieter naar 7, en exact tegengesteld aan de stroom. Het eerste stuk ging nog best, maar op het Doekegat: golven als torens, waar je tegenop klautert, maar daarachter... helemaal níets. Alsof je in het luchtledige dondert! Nee, het is er absoluut niet pluis bij die omstandigheden.” Met de nodige schade keerde hij de volgende dag terug naar Delfzijl.


Doel bereikt! De haven van Borkum stroomt vol met Nederlandse jachten. En wat doen zeilers na een geslaagde oversteek? Juist, lekker kletsen met elkaar op de steiger.
We zijn hier niet alleen: volgepakte veerboten, containerschepen, roro-schepen en de snelle catamaran-veerverbinding
Een zeearm
Het rak langs de zandplaat heeft ons weer aardig vooraan in het veld gebracht. Inmiddels bruist het flink aan de boeg en doet de Ventus af en toe uitschieters van boven de 8 knopen. De uitdrukking ‘de loef afsteken’ krijg hier z’n letterlijke beslag: met het zeil over en komend van stuurboord stuiven we op een andere boot af, eensgezind keihard ‘Bakboord!’ roepend. De concurrent moet spoorslags uitwijken om diskwalificatie te voorkomen, en in een mum van tijd hebben we hem ver achter ons gelaten. Ik houd inmiddels al een poosje de scheepvaart in de gaten die zich niet zo makkelijk van de wijs laat brengen, want we zijn hier allesbehalve alleen: volgepakte veerboten, containerschepen, roll-on, roll-of kolossen die de hele wereld van VW-tjes voorzien en, vooral, de supersnelle catamaranveerverbinding van reder AG-Ems. “Die catamarans, ach, daar moet je verder niet op letten; uitwijken heeft geen zin, want ze gaan zo’n 70 km per uur. Dan ben je toch te laat.” En de rest? Janet haalt haar schouders op. “Tja, het ís toe, waaruit ik dan maar concludeer dat het als een bekend en volkomen geaccepteerd fenomeen wordt beschouwd. De aanloop van de Eems is een drukbevaren stuk water, dat Emden, Delfzijl en de Eemshaven verbindt met de rest van de wereld, en het zijn zeker geen kleine jongens die hier langs stomen. Maar plezier- en beroepsvaart lijken er harmonieus samen te leven. ‘Leven en laten leven’ luidt het devies. En regelmatig over je schouder kijken. Achter ons slalomt de AG-Ems catamaran razendsnel en met veel wit schuim tussen de zeilers door. Even later verdwijnt ‘ie voor ons uit het zicht.

De boulevard van Borkum heeft allure, is mondain en wordt geflankeerd door een grandioos strand.
Uitblazen, uitwisselen
Na een verbeten strijd met de Pollux, een Hallberg Rassey met een 7 punten hogere rating dan de Ventus, passeren we om half vijf de finishlijn. Als 9de in onze klasse. Ritchy en Janet zijn daarmee niet echt tevreden. Mij stoort alleen dat de Diana toch nog twee plaatsen hoger is geëindigd.
Op het Duitse Borkum zijn we zoals de traditie voorschrijft gast van de zeilvereniging Burkana. Ze bestiert de oude marinehaven, die een tiental jaren geleden door de zeestrijdkrachten is verlaten. Op de betonnen kade wordt uitgeblazen, gedronken en worden ervaringen uitgewisseld. Daarna is het tijd voor de gezamenlijke barbecue. Een aantal van ons roemt de enorme ruimte van het complex en wil er als het kan vandaag nog een horde projectontwikkelaars op af sturen. “Kijk eens naar de mogelijkheden… de kansen… als ze nou daar… dan kan het echt wat wórden!” Ik ben het grondig met ze oneens. De havenmeester Loek is een Limburger, heeft een prachtige paardenstaart en snort op zijn snorstep over de kade. Zijn vrouw is kunstenares en kalligrafeert de liggeldbonnetjes. Ware kunstwerkjes! De barakken van de mariniers staan er nog, zij het hier en daar wat overwoekerd. Eén ervan doet dienst als havengebouw. De douches van de militairen zijn gehandhaafd en operationeel en nu voor de watersporters bestemd. Ze doen je denken aan de ouderwetse voetbalkleedkamer: met het hele span tegelijk klaarstaan en dan wachten op water uit het plafond. Het afgemeerde lichtschip Borkum Riff verwijst waardig naar het verleden, en uren kun je door het hoge gras van het uitgestrekte complex struinen. Nee, de haven van Burkana hoeft niks te worden, want ís allang iets. Een beetje shabby, maar vooral uitzonderlijk authentiek.
’s Avonds wordt de prijsuitreiking op de boulevard verricht door de burgemeester van Borkum. Je verwacht een wat saaie man met een ketting, maar je krijgt een mooie vrouw. Ze brengt je in de war. Net als Borkum overigens. De boulevard heeft allure, is mondain en wordt geflankeerd door een grandioos strand. Ieder moment kan het Kurhaus of de Scheveningse pier opdoemen. Maar je bent wel zojuist vanuit de haven aangevoerd door een stoomtrein met houten echte wagons, en als helden binnengehaald door een heuse dorpskapel. Nog even en een stadse Wim Sonneveld bezingt hier de geneugten van Het Dorp. Die avond wint de stad het van het dorp: het gros van de zeilers stort zich in het nachtleven van dancings en kroegen. Slechts een enkeling gaat met de kippen op stok met het oog op het vroege vertrek van morgenochtend.
Duim omhoog: gewoon flink doorstiefelen. Duim omlaag leidt direct tot een overstagmanoeuvre. Donders! Er wordt hier wel wat van je verwacht
Serieus zeilwerk
Het is 08.00 uur en ik monster een beetje brak aan op de Silja, een Finngulf van 37 voet, eveneens ingedeeld in de snelste klasse. De sfeer is opgetogen, vriendelijk, maar vooral ook serieus. De Silja is zaterdag als winnaar over de finish gegleden en men is vastbesloten dat kunststukje te herhalen. De wind is zuidoost, dus opnieuw tegen. Als een hijgerige hond kruisen we wat nerveus heen en weer voor de startlijn, om dan door de toeter losgelaten te worden. Perfecte start! Stuurman Alfred en zijn vrouw Lia jagen ons naar de vereiste boeien en maat Eddie werkt zich in het zweet om bij iedere manoeuvre zo weinig mogelijk tijd te verliezen. Dit is serieus zeilwerk! Het team is prachtig op elkaar ingespeeld en doktert de perfecte koers uit om zoveel mogelijk rendement te halen uit stroming, wind en allerhande andere factoren die een rol kunnen spelen. We houden zoveel mogelijk de bakboordwal aan en laten zo vele deelnemers rechts liggen. “Nu in twee slagen naar die boei! En nu over de andere boeg om in dieper water te blijven…! Ik houd me zoveel mogelijk op in het trapgat naar de kajuit,

Een vroeg vertrek voor de terugtocht. de wind zit zuidoost: opnieuw tegen.
een beetje interessant doende met notitieblok en camera, maar vooral toch om niet in de weg te lopen. Het is een in mijn ogen onrustige bedoening: je ligt nog niet even over de ene boeg, of het ‘klaar voor overstag’ klinkt alweer. Zo nu en dan waag ik me op de punt als een andere deelnemer voor de stuurman in de schaduw van de genua ligt, om in te schatten of we er nog net voorlangs kunnen. De beslissingen die op basis van mijn duim genomen worden, zijn even spannend als beangstigend: duim omhoog wordt gevolgd door “Oké, go!”, gewoon flink doorstiefelen dus. Duim omlaag leidt direct tot een overstagmanoeuvre. Donders! Er wordt hier wel wat van je verwacht.
Het heeft al met al het gewenste effect. Het gaat hard, érg hard. De Silja is een zeer snel schip en aan de wind loopt ze werkelijk prachtig. In tegenstelling tot zaterdag is de snelste klasse vandaag als laatste gestart, en na een uurtje of drie hebben we zo ongeveer het gehele veld achter ons gelaten. De schipper manoeuvreert van stuurboordboeg naar bakboordboeg en terug, mijn camera en notitieblok in schuine vertwijfeling achterlatend. Eén schip komt ons voorbij: de Diana. Eruit gevaren, vastgelopen en op de motor! Goeie zaak!
Finish en prijsuitreiking
Tegen half een duikt plots De Harder op, vlak voor onze boeg. Het finishschip gooit juist de ankers uit en het heeft niet veel gescheeld of we hadden zelfs haar eruit gevaren! Begeleid door een welgemikte toon van de scheepshoorn passeren we als eerste de finish. Een beetje verbluft laten we de schoten vieren. “Zijn we d’r nu al?!”
Aan het eind van de middag worden op de kade van Delfzijl de prijzen verdeeld. De burgemeester, een wat saai geklede man met ketting, prijst de organisatie, de promotionele waarde, de samenhang en de hele rataplan. Het kan me nauwelijks deren. De Silja heeft ook vandaag gewonnen, en ik dus ook een heel klein beetje.
Ze wint bovendien het overallklassement. Met een schuin oog houd ik de overige uitslagen in de peiling: de Ventus: 3de vandaag, en een behoorlijk stuk voor op de Pollux. Goed zo. De Diana: DNF (did not finish) achter haar naam. Ook niet verkeerd.
Ik neem langzaamaan afscheid van het noorden. Bij het handen schudden met organisator Harry van der Laan, vraagt hij me of ik nog ‘es terugkom. Ik knik. “De noordoosthoek lijkt een onmogelijke uithoek, waar enkel mensen komen die er echt moeten zijn, maar ik heb er échte zeilers ontmoet en ik kom zeker terug. Ook al hoef ik hier helemaal niet te wezen!”
Aan boord van de Silja, een Finngulf 37. Stuurman Alfred, zijn vrouw
en maat Eddie zijn goed op elkaar ingespeeld. Ze jagen op de overwinning.
Complex vaargebied
De ligging van Delfzijl als haven is als die van een eiland: insulair. Als je er niet hoeft te zijn, kom je er ook eigenlijk niet. De jachthaven kent een bezoek van ongeveer 8000 passanten per jaar, maar dat zijn voornamelijk zeezeilers die onderweg zijn naar Denemarken, de Oostzee of andere noordelijke gebieden. Een deel bestaat uit watersporters die vanuit Delfzijl via de binnenwateren verder Duitsland intrekken of binnendoor naar de Oostzee gaan. Voorts wordt Delfzijl aangedaan door Duitse zeilers voor de zogenaamde ‘Chinesentour’: Chinese restaurants waar je tegen een redelijk tarief een vorkje kan prikken, kent men in Duitsland niet.
Voor ‘binnenlandse zeilers’ is Delfzijl bereikbaar via de (staande mast) route van Harlingen, via Zoutkamp en Groningen naar het Eemskanaal. Buitenom bij gunstige wind vergt het van de zeiler met een diepstekende boot vanuit Terschelling toch gauw een etmaal en een goede planning om Delfzijl te bereiken. Borkum vormt daarin een aardig alternatief om de reistijd met een uur of vier te bekorten.
De monding van de Eems en de Eems zijn een complex vaarg bied: de beroepsvaart is er nadrukkelijk aanwezig en de sterke tijstroom is in hoge mate bepalend voor vertrek en richting. Eenmaal vertrokken behoort terugkeren meestal niet meer tot de opties. Harde noordwestenwinden maken de aanloop, vooral het Doekegat, tot een bijna onneembare veste, vooral zeewaarts. De Zeilvereniging Neptunus, onderdeel van de KZ&RV Neptunus Delfzijl, bepaalt voor een aanzienlijk deel de atmosfeer in de jachthaven. Vanwege de ‘insulaire’ ligging is men er erg betrokken op elkaar, maar passanten worden als échte zeilers en collega’s verwelkomd en tegemoet getreden. Groningers, en dus ook Delfzijlers, staan bekend om hun nuchterheid en ingehouden enthousiasme. Een kwalificering als ’Ik heb het wel eens minder gezien’, dient in deze contreien dan ook als een volwaardige pluim op de hoed en als een uitzonderlijk compliment te worden beschouwd
Borkum is voor zeegaande jachten een vriendelijke uitvalsbasis voor wie hogerop wil trekken, evenals het Duitse Waddeneiland Juist, dat men zelfs, volgens ingewijden, bij mist prima kan aanlopen, afgaande op de geur van paardenmest. Op Juist zijn auto’s taboe en gaat alle vervoer per paard en wagen.











































